Voetballen doe je niet in het kader van de geestelijke verruiming. Onbegonnen werk, in ieder geval bij de Amsterdamse club waar ik train. Teamgenoot M. bijvoorbeeld heeft lange tijd geen drie woorden achter elkaar kunnen uitspreken zonder daar op slinkse wijze op zijn minst één keer het adjectief ‘kanker’ tussen te plaatsen. Speelden we eindelijk een keer niet op kunstgras, dan baalde hij dat we op dat normale ‘kankergras’ moesten voetballen; en eigenlijk haatte hij vooral het ‘kankerzand’ dat daarop lag. M. had een ‘kankerhekel’ aan zand, zei hij. Begrijpend knikken is soms verdomd lastig. ‘Ik heb dus gewoon een kanker-IQ van 69,’ vertelde M. mij eens, ‘of was het nou 96?’ Verwarring alom. Ik hield het met grote stelligheid op het eerste – en zeker niet alleen omdat hij zijn eigen IQ niet kon onthouden.
Op een dag was het echter opeens afgelopen. ‘Heeft M. deze hele training geen kanker gezegd?’ vroeg ik vertwijfeld aan één van de twee teamgenoten die wel een IQ van boven de honderd hebben. M.’s opa lag op sterven, zo bleek. Waarschijnlijk had iemand M. verteld waaraan de oude baas leed.
Maar gisteren was M. niet op training. Het was dan ook onwezenlijk stil toen ik het clubgebouw betrad. Toch kwam ik opgetogen de vervallen kleedkamer binnen. Zoals gewoonlijk was stand-in keeper K. de enige die vijf minuten voor de start van de training al aanwezig was. De rest hield er van fashionably late te zijn.
‘Alles goed?’ vroeg ik hoopvol. “Ja, hoor,” antwoordde K. – wat is er in het Nederlands toch met die toevoeging ‘hoor’, alsof ik gesuggereerd zou hebben dat het volslagen kut met hem zou zijn.
Veel verder dan een dialoog van dit kaliber kwam ik ook met K. bijna nooit. Na zijn ‘ja,hoor’ dreigde daarom een dodelijke stilte van zo’n vijf minuten. Stilte kan lang duren als er geen uitweg is, als je al vijf keer hebt gevraagd wat de ander doet, maar het antwoord je zo weinig interesseert dat je het steeds weer vergeten bent.
Dus gooide ik het maar op zijn T-shirt. Waarom liep K. toch altijd rond in een shirt van Vitesse? Ik bedoel: ik snap best dat er mensen fan zijn van die club; er zijn immers ook genoeg jongemannen die een fascinatie hebben voor vliegtuigcrashes. Maar de vraag blijft: hoe is het zo gekomen? Ik vroeg het K..
‘Nou, ik had dus ooit een weddenschap met een vriend rond de wedstrijd Ajax – Vitesse,’ stak mijn teamgenoot van wal, de woorden net wat langzamer uitsprekend dan prettig is voor de toehoorder. ‘Won Vitesse, dan zou ik de rest van mijn leven Vitesse-supporter worden.’
En zo geschiedde. Ajax blameerde zich weer eens in de Amsterdam ArenA, en K. zat met de gebakken peren. Misschien nog nooit van zijn leven in Arnhem geweest, maar wel voortaan altijd het zwartgeel hoog in het vaandel.
Hij haalde na het verhaal ook zelf zijn schouders op. Ik strikte mijn veters spoedde mij zo snel als ik kon naar het kunstgras.

Erg leuk verhaal! Smaakt naar meer, dus wanneer verschijnt deel 2?
Groet,
Pieter
Er wordt één keer per week getraind, op donderdagavond… dus het dagboek wordt elke vrijdag bijgehouden…