Het probleem met clichés over scheidsrechters is: ze zijn zo vaak waar. Zeker in het amateurvoetbal. Zo hoorde ik afgelopen week het verhaal van een goede vriend dat na zijn wedstrijd in Groningen de vrouw van de leidsman meeging de bestuurskamer in. Zij zou wel even voor haar vent uitleggen waarom de goedzak al in de eerste minuut een rode kaart had uitgetrokken – wat haar verklaring ook was, door haar gedrag was meteen duidelijk wat de man in werkelijkheid had bezield: hij had gewoon optimaal van zijn autoriteit op het gras willen genieten, een genot dat hem buiten het veld nooit ten deel viel.
Amateurscheidsrechters zijn dol op autoriteit, en op kaarten, dat is de simpele waarheid. Rood of geel, de kleur maakt ze niet uit. ‘Ach scheids, dat kan toch helemaal nooit buitenspel zijn!’ Hup, inrukken maar. ‘Maar… ik raak hem niet eens!’ Paf… rood. Heerlijk gevoel. Je ziet de amateurscheidsrechter genieten van elke seconde die stroperig langzaam voorbij gaat als hij zijn rechterhand naar zijn linker borstzak beweegt. Hij mag weer. Eindelijk. Ik denk dat minstens de helft van de rode kaarten op de Nederlandse amateurvelden worden getrokken vanwege ‘commentaar op de leiding.’ Prachtig eufemistische, en een altijd inzetbare uitdrukking. Een verschil van mening bestaat niet op de voetbalvelden, je hebt automatisch (en schijnbaar altijd ongegrond) commentaar.
Nu is dit alles ook weer niet zo gek, moet ik eerlijk bekennen. We hebben het hier over amateursport. Die vriend van mij voetbalt op het laagste niveau waarop de KNVB nog teams verblijdt met een officiële scheidsrechter. Je hoeft er niet van op te kijken dat binnen dit laagste segment scheidsrechters hier en daar een stevige malloot rondloopt. Dat is bij de teams op dat niveau niet anders.
Nog erger is het, scheidsrechtertechnisch, overigens in mijn eigen reserve zesde klasse gesteld, werkelijk de kelder, de diepste grot van het Amsterdamse amateurvoetbal. Bij ons fluit gewoon iemand van de club. Maakt niet uit of hij kan lezen of schrijven, zolang hij maar een fluitje in zijn handen kan houden en hij bij voorkeur een vaal paarsroze trainingspak in de kast heeft hangen, is hij geschikt. Dergelijke types fluiten dan ook wedstrijden waarin je met regelmaat iemand de warming-up ziet doen met een stevige joint tussen de lippen – dus om nou te zeggen dat de spelers in deze competitie hun zondagse potjes serieus nemen, nee. Behalve mijn team dan, maar wij verliezen dan ook altijd; en als je maar lang genoeg het onderspit delft, op welk niveau ook, ga je vanzelf azen op eerherstel.
Het leuke aan scheidsrechters in de reserve zesde klasse is dat thuisvoordeel, een steuntje in de rug dat je ook bij profclubs zo duidelijk ontwaardt, heel sterk opgeld doet. Niet zozeer vanwege de luidkeelse aanmoedigen langs de kant overigens – wij mogen van geluk spreken als er überhaupt één twaalfde man aan de zijlijn staat –, maar door de ongegeneerd partijdige scheidsrechters. Dat zijn immers altijd ware clubmannen, vaders van spelers uit het thuisspelende team vaak – wie zou in hemelsnaam anders zijn vrije middag opofferen om de vaste clientèle van coffeeshop Abraxas anderhalf uur aan het rennen te houden?
Meestal heeft de uitspelende ploeg bovendien niet genoeg reservespelers bij zich om een grensrechter te leveren. Dat maakt het allemaal nog oneerlijker. Buitenspel bestaat dus niet meer voor het thuisspelende team. De uitploeg wordt juist alleen níét teruggevlogen als de aanval er ongevaarlijk uitziet. Maar wee je gebeente als de aanvoerder van de bezoekers hier iets van zegt. ‘Had je aanmerkingen op de leiding,’ klinkt het dan uit de mond van de scheidsrechter. Rood, inrukken maar. Ik schat dat zo’n zestig procent van de thuisdoelpunten in Amsterdam en omstreken buitenspel zijn. En dan ben ik nog aan de voorzichtige kant.
Bij ons werkt de vader van M., onze vaste scheidsrechter, in ieder geval altijd heerlijk me. Hij geeft vrije trappen op de meest heerlijke posities, doorgaans na de koddigste schwalbes; hij gunt ons penalty’s waar hij kan; en hij fluit tegenstanders nog af voor buitenspel als wij met z’n elven op onze eigen doellijn staan. Hij heeft al heel wat rode kaarten gegeven dit seizoen, bij voorkeur vroeg in de wedstrijd; de vader van M. houdt nu eenmaal niet van commentaar op de leiding.
Nog weten wij overigens maar niet de winnen. Godzijdank is er geen competitie meer onder ons en kunnen we dus niet degraderen. Want ik zou niet weten met wat voor scheidsrechters wij dan elke week opgescheept zouden komen te zitten.
