Spakenburg is van oudsher een hechte en gesloten gemeenschap. Dat is algemeen bekend. Tot 1955 was het vissersdorpje zelfs letterlijk door het water afgesneden van de rest van Nederland. Dit uit zich vandaag de dag vooral nog in het onwaarschijnlijke aantal mensen met de achternaam Koelewijn tien kilometer boven Amersfoort. Opvallend is echter dat in de selecties van de twee dorpse voetbalclubs - IJsselmeervogels (de Rooien) en Spakenburg (de Blauwen) -, twee van de drie meest succesvolle clubs in het Nederlandse zaterdagvoetbal, geen enkele Koelewijn meer speelt.
Spakenburg is het geborgen Nederland uit de jaren vijftig waar rechts Nederland zo vaak naar terug zegt te verlangen. Zo zag ik er vorige week, toen ik er was om een verhaal te schrijven over de plaatselijke voetbalderby, een papiertje bij een bushalte hangen met de tekst: ‘ik heb je mobiel gevonden, bel me op mijn nummer 06-31234858.’ Het briefje leek mij toe te willen schreeuwen: Spakenburg is één en al veiligheid, eerlijkheid en sociale controle. Beangstigend bijna. Ik vond het getypte berichtje bovendien vooral dubbele domheid tonen. Ik bedoel: als ik mijn mobiel kwijt ben, is het wat lastig zijn dat nummer te bellen. En bovendien: als jij mijn mobiel zegt te hebben gevonden, dan kan ik toch gewoon mijn eigen nummer bellen om je te bereiken.
De eeuwenlange genetische inteelt heeft het dorp genetisch dan ook geen goed gedaan. Zo bestaat er zelfs een afwijking die de ‘Spakenburgse ziekte’ wordt genoemd, een aandoening die in principe slechts één op de miljoen mensen treft, maar in het kleine Spakenburg – met slechts 3.800 inwoners - bij zeker zeven mensen is vastgesteld.
Overigens zou je voetbal even goed een Spakenburgse ziekte kunnen noemen. Nooit was ik in een dorp waar (amateur)voetbal zo centraal staat. Zoals gezegd: slechts 3.800 inwoners. Maar voetbalverenigingen IJsselmeervogels en Spakenburg hebben samen wel bijna 3.300 leden! Beide clubs hebben trouwens toch niet meer dan zes seniorenteams. Wie de A1-jeugd is ontgroeid, meldt zich doorgaans af als actief lid. In Spakenburg gaat men liever naar het eerste elftal kijken dan dat er in een lager team zelf moet worden gevoetbald op dat tijdstip.
Afgelopen zaterdag was het weer eens zo ver: de derby der derby’s stond op het programma. Een amateurwedstrijd van ongekend belang. Er is zelfs een boek over geschreven. Dat moest – en dit is niet verzonnen – in twee verschillende versies worden gedrukt als voorwaarde van de clubs voor hun medewerking: één druk in het rood, en eentje in het blauw.
Zo’n 9.000 mensen kwamen zaterdag af op de Spakenburgse voetbaltwist, waarin deze editie niet alleen de dorpse eer maar ook het landskampioenschap in de Topklasse Zaterdag op het programma stond. Voor het eerst in de historie stonden de twee Spakenburgse teams zo dicht bij elkaar. En nog wel helemaal bovenaan de ranglijst ook.
Ik vond het een bizar gezicht: mensen in lichtmasten, massa’s toeschouwers die door de politie van het dak van de kantine moesten worden geplukt vanwege instortingsgevaar, en belangstellenden – soms helemaal uit het zuiden van Brabant afgereisd – rijendik in de hoeken van het stadion, daar waar de tribunes vier open gaten laten vallen. Stadion de Westmaat was overvol op een manier die ik zelfs in Zuid-Amerika en Afrika nooit heb gezien.
Maar het romantische, kneuterig Nederland zou het romantische, kneuterig Nederland niet zijn, als er tijdens al dat onstuimige enthousiasme, en ondanks alle heerlijke folklore en nostalgie, stevig werd geklaagd. De derby was de derby niet meer, vertelden echte Spakenburgers mij. Er stonden nog maar twee jongens van het dorp op het veld. ‘Verder is het allemaal import,’ zeiden de vroegere vissermannen nukkig. Het was een schandaal, veroorzaakt door die verdomde commercie – nou ja, dat ‘verdomde’ zal ik er bij gedacht hebben, zeker zestig procent van de Spakenburgers bezoekt volgens officiële statistieken nog altijd elke zondag trouw de kerk.
Maar toch, het stak de mensen dat de spelers van hun twee dorpse voetbaltrotsen, hun al even fanatiek en trouw beleden tweede religie, tegenwoordig van heinde en ver afkomstig waren, dat er geen enkele echte visserzoon meer tussen de voetballers liep. ‘De vorige derby stonden er opeens drie negers in het veld,’ riep een van de supporters zaterdag uit. ‘Dat geloof je toch niet?! Ik bedoel het helemaal niet racistisch hoor, maar het leek wel alsof ik in Suriname stond.’
